De historie van Beverol

In den beginne.....

> 1950

In de jaren 90.....

In den beginne.....

Op 1 december 1924 werd de naamloze vennootschap Beverolfabrieken opgericht in Beverwijk door de heer Hendrik Brat. Daarvoor was het nog bekend als naamloze vennootschap Oliemaatschappij "Noordzee". Het hele bedrijf bestond in die dagen uit een fabrieksloodsje, waar 4 mannen werkten, een kantoortje met twee medewerkers een hokje, dat de opzichter ietwat overdreven laboratorium noemde en als personeel één jonge laborant telde. De naam Beverol was bedacht door een van de twee kantoormeisjes. Hiervoor kreeg ze 25 gulden. Later noemde Hendrik Brat het de Beverol fabrieken, hoewel het eigenlijk maar een werkplaatsje was. Hendrik Brat had twee wensen. Hij wilde een eigen merk en reclameborden langs de autowegen. Beide wensen werden vervult. Het eerste Beverolmerk werd ontworpen door tekenaar en imitator Wam Heskes en het tweede merk door de pionier op Nederlands reclamegebied, Jac. Jongert. Ook de reclameborden kwamen er en wel om de 15 kilometer langs alle autowegen van Nederland. Hiermee was de grondslag gelegd en de zaken gingen voor de wind. Hendrik Brat nam zelf de fiets en ging de klanten af. Soms verkocht hij wel en soms ook niet. Als het een keer mis ging dan bedacht hij iets om het te verbeteren. Het jonge bedrijf had net een bekende naam verworven, toen het in de dertiger jaren wat tegenslagen moest verwerken. Ten eerste was er de toenemende concurrentie en ten tweede de grote crash op Wallstreet. Er moest bezuinigd worden op de salarissen en in het jaar 1930 werd er niets verdiend. Gelukkig duurde dit niet langer dan een jaar en in 1931 werd er weer winst gemaakt. Sindsdien is dat steeds gestegen, met uitzondering van de tweede wereldoorlog. Gedurende de oorlogstijd werd er positief aan de toekomst gewerkt en werden de fundamenten gelegd voor de naoorlogse opbloei van het bedrijf. In de oorlogstijd wist men te voorkomen dat Beverol aan de vijand zou leveren. Na de oorlog zagen zowel de heer Brat als de heer van der Plas, de later adjunct-directeur, dat de toekomst lag in de export. Daarom reisde Hendrik Brat de hele wereld af op zoek naar buitenlandse agenten. Met deze onderneming kreeg Beverol ook een bekende naam in het buitenland en de heer Brat hield er een groot aantal vrienden aan over.

>1950

de jaren 50 en daarna begon de fabriek en de productie aardig te groeien. In de oliefabriek vondt de fabricage plaats van verschillende motoroliën en speciale olie- en water producten met een capaciteit van 100.000 kg per dag. In vetfabriek 1 werden de speciale vetten gemaakt, zoals aluminium-, lithium- en natriumvetten en in vetfabriek 2 maakte men de calciumvetten, tezamen met een capcaciteit van 80.000 kg per dag.
Ook levertraan behoorde tot een van de producten die Beverol vroeger verwerkte voor de lederindustrie en naast de vetfabriek stond de Zepy fabriek. Daar werden de zogenaamde handreinigers geproduceerd. In een ketel van 4500 kg werd de gehele dag Zepy (wit) en Zepy+ (blauw) gemaakt, welke in drummen, pails of blikken werd afgetapt. Het olie- en vetmaken was een zware bezigheid. In de oliefabriek werd de olie gepompt vanuit het tankenpark en de overige grondstoffen werden met de hand in de ketel gestort. Naarmate de variatie in producten toenam, nam ook het aantal toevoerleidingen toe met verschillende typen basisoliën. In de ketels liepen de warmtespiralen waar het stoom doorheen ging en de stenen muren zorgde voor isolatie en bescherming tegen de hete ketels. Achter de oliefabriek was namelijk het stookhuis waar elke morgen, een uur van te voren voordat de productie begon, kolen in de ketels werden geschept om de fabriek van warmte te voorzien. Later werden de stenen muren rondom de ketels weggehaald om plaats te maken voor modern isolatiemateriaal. Ook maakte men in de oliefabriek speciale producten. In de grote waterketel bijvoorbeeld werden producten gemaakt zoals koelvloeistoffen, reinigingsvloeistoffen, grondstoffen voor de vetfabriek, etc… Was een olie of een van de speciale producten klaar, dan werd deze afgetapt bij de ketel of het werd verpompt naar een van de vele opslagtanken. Van daaruit kon men het dan verder aftappen in diverse verpakkingen of verpompen in tankwagens.
 
In de vetfabriek werkte men in die tijd nog met autoclaven. In de bovenste ketel werden de grondstoffen met de hand afgewogen en in de ketel gestort. In de ketel daaronder werd de olie gepompt en opgewarmd. Zodra de olie op temperatuur was, opende men een afsluiter tussen de twee ketels en de grondstoffen stroomde in de hete olie waar de verzeping plaats vondt. Soms gebeurde het nog wel eens dat de reactie zo heftig was dat de hele massa uit de ketel stroomde. Men was dan een flinke tijd bezig met schoonmaken, voordat men weer met de productie verder kon gaan.
Als het vet klaar was werd het afgekoeld in grote bakken. In het begin waren het nog gesloten bakken maar later werden dit open bakken die boven op elkaar stonden, soms met 6 bakken tegelijk. In elke bak bevond zich een overloop. De eerste bak werd gevuld met de gloeiend hete vet en als die vol stroomde liep het via de overloop naar de tweede bak, enz.. todat alle bakken gevuld waren. Men moest er natuurlijk wel voor zorgen dat de overlopen niet recht onder elkaar stonden, maar in tegengestelde richting, want anders liep de onderste bak over en was men de rest van de dag bezig met schoonmaken. Als het vet voldoende gekoeld was werden de bakken verplaatst naar de maalketel en leeggeschept. In de maalketel werd het vet dan gemalen en kon het afgetapt worden in de diverse verpakkingen. De olie- en vetfabriek werd en wordt nog steeds dag en nacht begeleid door het laboratorium. Met de hoeveelheid aan vetten, oliën en andere producten was het keuren en testen een arbeidsintensieve bezigheid. Eén groep laboranten hield zich voornamelijk bezig met de kwaliteitscontrole. Zij controleerde het vet op bijvoorbeeld penetratie, druppelpunt en dergelijke en de olie op viscositeit en vlampunt. U moet nagaan dat in die tijd ze nog niet die geavanceerde apparatuur hadden die we nu wel hebben. Tegenwoordig drukt men op een knop en er rolt een resultaat uit. Een andere groep hield zich weer bezig met de research van nieuwe producten en de verbetering van nieuwe productiemethoden. In de pilot, wat een klein vetketeltje is, was continu een laborant bezig om nieuwe vetten uit te testen of er werd een nieuwe methode uitgetest op een bestaand vet.
 
Was het vet of olie klaar dan kon dit afgetapt worden in de daarvoor bestemde verpakking. Het vet werd direct afgetapt in de verpakking en later gekeurd door het laboratorium. Olie en andere producten daarentegen werden eerst door het lab gekeurd en daarna pas afgetapt.
Aftappen gebeurde in fusten, drummen, pails, variërend van 200 kg, 60 kg tot en met 20 kg, of in verschillende typen blikken en bussen, varierend van 10 kg, 5 kg tot en met 1 kg. De grote verpakkingen werden of bij de ketel afgetapt of uit voorraadtanken. Voornamelijk olie werd in grote tanken gepompt om later afgetapt te worden. Kleine verpakking zoals bussen, blikken en potjes werden met de hand afgevuld of met een vulapparaat. Vooral kilogram blikken werden in het begin nog met de hand gevuld. Uit een grote fust of drum schepte men het vet in de pot en een ander sloot de deksel erop. Later kwamen daar apparaten voor, zoals het blikken vulapparaat op de foto hiernaast. Toen de vetpatroon zijn intrede deed, kwamen de patronenmachines, die vetpatronen met duizenden tegelijk vulde. De grote vetbulken waren er nog niet, dus moest het allemaal via containers. Olie die niet aan de ketel werd afgetapt ging naar een van de opslagtanken. Vandaar uit kon men het dan in allerlei soorten verpakkingen vullen. In de expeditie was de grootverpakking vullerij. Hier werden alleen fusten, drummen en pails afgetapt. Elke morgen werd er begonnen met binnenland. Dit waren kleine orders die verstuurd werden naar verschillende kleine en grote klanten in het gehele land. Daarnaast was er de export. Dit ging meestal om grote partijen fusten en drummen, bestemd voor klanten in het buitenland. In elke opslagtank was ruimte voor een type olie, oplopend van 8 ton tot 15 ton. Grote partijen olie die redelijk dichtbij moesten worden afgeleverd waren meestal bestemd voor tankwagens. Bijvoorbeeld voor de Hoogovens, die Morgolie (Filona) afnam van Beverol voor hun walsen. Deze partijen gingen meestal met een tankwagen, waarvoor de grote opslagtanken meestal gereserveerd werden. Uiteraard kwamen tankwagens niet alleen het Beverol product ophalen. De grondstoffen welke in grote getallen voor de olie- en vetproductie bestemd waren, werden via tankwagens in de grondstoffen tanks opgeslagen. In het begintijd van Beverol werden fusten of drummen die afgetapt waren, weggerold naar de opslagloods of naar de kade. Grote aantallen fusten werden op de kade gestapeld om dan met een grijper in de boot te worden gehezen.
 
Later deed de heftruck zijn intrede en ging het allemaal wat gemakkelijker. Tijdens het stapelen van de fusten gebeurde het nog wel eens dat de achterste rij vaten in "de Pijp" viel, omdat iemand met zijn heftruck tegen de voorste rij botste. Gelukkig dreven de vaten in het water (olie/vet is lichter dan water) en moest er meteen iemand de vaten uit het water vissen. Een keer was er een sterke stroming in het water en dreigde een vat naar het kanaal toe te drijven. Dus ging er iemand op een vlot achter het vat aan om hem weer op de kade te brengen.
De rest van de verpakking werd op pallets gereden en opgeslagen in de loodsen. De hele dag reden de heftruck chauffeurs van Transport en Opslag om het gereed produkt uit de fabriek in de loodsen op te slaan. Tevens reden zij de grondstoffen die met vrachtwagens aankwamen in de grondstoffen loods, alsmede de lege verpakkingen. Lege verpakkingen, zoals fusten, drummen en pails, kwamen in het begin neutraal aan en moesten in Beverol kleuren of andere kleuren worden gespoten. Dit was de taak van de spuiterij. De hele dag waren twee mensen in twee spuitcabines bezig om de buitenkant en de deksel in de juiste kleuren te spuiten. Als een fust klaar was werd die op een rollerbaan gereden en kon het drogen om daarna van het Beverol logo te worden voorzien. In die tijd gebruikte men daarvoor speciale screens. Een hoeveelheid verf werd op het screen aangebracht en met een haal drukte men het logo erop. Als er dan een order kwam werd ook op de bovenkant het Beverol logo gerold tezamen met de tekst van wat erin zat. Vlak bij de spuiterij was de spoelerij. Op sommige fusten die naar een klant gingen zat statiegeld. Deze kwamen dan weer terug bij Beverol om gespoeld te worden. Dit gebeurde in de spoelerij. De fust ging in een soort centrifuge die ronddraaide in een loogbad. Na het spoelen kon het fust weer gebruikt worden. Om alle machines, pompen, verlichting en noem maar goed te laten werken was er en is er nog steeds de Technische Dienst. Deze groep van mensen zorgt ervoor dat alles piekfijn draait en zorgt ook voor aanpassingen en verbouwingen binnen de fabriek, zonodig in samenwerking met buitenfirma's.

 

De jaren 90.....

Over de jaren is er heel wat veranderd. Beverol werd in 1987 overgenomen door het Petrofina concern. Begin jaren 90 kwam de heer J. P. van Dijk, vervanger van de heer H. reesink, als nieuwe directeur bij Beverol die de lastige taak had om van Beverol weer een goed draaiende smeervet fabriek te maken. Er kwam een reorganisatie en er verdween een groot aantal medewerkers. Eén groep werd op andere lokaties binnen het concern geplaatst. Een andere groep mensen gingen met speciale regelingen in de vut. Helaas werden er ook een aantal mensen ontslagen. Met de overgebleven groep mensen moest er verder worden gewerkt. Men ging zich volledig concentreren op smeervet. De heer van Dijk bleef nog 4 jaren aan en maakte plaats voor de heer X. Delrue. Voor het werk dat de heer van Dijk had verricht, werd het nieuwe tankenpark vernoemd naar zijn naam in de vorm van een blauw bord. De heer Delrue zette zijn werk voort en werd na ongeveer 4 jaren vervangen door Mevrouw L. Herbold-Vink, welke nu nog steeds de huidige directeur is. Met de overname kon er flink geinvesteerd worden en zodoende onderging de fabriek een flinke metamorfose.
Als eerst werd de vetfabriek aangepakt. Er kwamen twee nieuwe ketels bij, de V6 en de V12. De bedienings kasten werden vervangen en het vetproces bijna geheel geautomatiseerd. De Stelcon platen werden vervangen voor een vloeistofdichte vloer. Alle vetketels werden opnieuw voorzien van isolatie, de verlichting, als de leidingen werden vervangen en ga zo maar door. Uiteindelijk is er een modern productie eenheid ontstaan die een capaciteit aankan van maximaal 10.000 ton per jaar. Van de oliefabriek is de grote waterketel het enige wat is overgebleven uit vroegere tijd. Waar vroeger de olieketels stonden, staan nu twee lithiumloogtanken en links daarvan twee opslagtanken voor andere grondstoffen. Tevens werden de ketels uit de oude stookruimte, achter de oliefabriek weggehaald en daarvoor in de plaats kwam de fabricage en opslag van TDI.
 
Met het verdwijnen van de oliefabriek was de grootverpakking vullerij in de expeditie ook overbodig geworden. Alle opslagtanken waar voorheen de verschillende soorten oliën waren opgeslagen, werden weggehaald en daarvoor in de plaats kwamen grote opslagtanken voor diverse grondstoffen die gebruikt worden in de vetfabriek. Alle leidingen en aftappunten werden ook weggehaald en de opslagtanken voor grote partijen olie, moesten plaats maken voor de nieuwe vergaderruimte. Het enige wat nu nog is overgebleven zijn de kantoren.
Niet alleen de grootverpakking vullerij verdween, ook de kleinverpakking vullerij moest het onderspit delven. De oliemachines gingen weg maar de blikkenmachine werd verhuist naar een nieuwe plaats. Daar kwamen ook twee nieuwe patronenmachines bij en een paillijn. Omdat het werken met vetcontainers niet meer haalbaar was werd naast de paillijn en de blikkenvulmachine een ruimte vrijgemaakt voor grote vetbulken, met een capaciteit oplopend tot 30 ton. De oude Stelcon platen werden vervangen voor een vloeistofdichte vloer om aan de huidige milieu eisen te voldoen. Het dak kreeg ook een grondig onderhoud en gedeelten werden vrijgemaakt om natuurlijk licht door te laten schijnen. Hetzelfde gold voor het dak boven de lege vaten opslag. Een andere afdeling die grondig veranderd moest worden was de grondstoffen afweegruimte. Als eerste werden wederom de Stelcon platen verwijderd voor een vloeistofdichte vloer.
 
Ten tweede werden de grondstoffen opnieuw ingedeeld en de stellingen werden aan de onderkant voorzien van opvangbakken. Ook het afweeg gedeelte onderging de nodige veranderingen, zoals lekbakjes, een afzuigsysteem, een nieuw takelsysteem, etc… In dezelfde ruimte werd ook de nieuwe stookruimte gebouwd. De oude ketels uit de oude stookruimte werden verwijderd en in de huidige stookruimte kwamen nieuwe ketels werkend op gas in plaats van stookolie.
Niet alleen binnen werd flink verbouwd, ook buiten was het nodige te doen. Als eerste moest er een nieuw tankenpark komen. Deze kreeg een nieuwe plek, waar voorheen de "visloods" stond. In totaal 9 tanks kwamen op de nieuwe plek met een betonnen wal eromheen. Vlak naast het tankenpark werd het pompenhuis neergezet. Uit waardering voor het werk dat de heer van Dijk had verricht tijdens de jaren van de reorganisatie en wederopbouw, werd het tankenpark officieel geopend in zijn naam. Het tankenpark heet tegenwoordig het "J. P. van Dijk Tankenpark". Achter het tankenpark kreeg de vatenloods ook een nieuwe bestemming. Al het gereed product dat afgevuld werd in de vullerij ging naar de vatenloods toe. De vaten kregen hun bestemming dichter bij de vetfabriek, tussen de vullerij en de nieuwe vergaderruimte. Ook de andere loodsen werden onder handen genomen. De wanden van de loodsen werden opnieuw bemetseld met steen en het dak werd nagekeken op lekkage. Rondom de loodsen kwam een doorgangsweg, zodat vrachtwagens door de hoofdingang naar binnen konden en achter de loodsen weer naar buiten. Tevens werden de Stelcon platen uit het pad verwijderd voor een geasfalteerde weg met een waterafvoer erdoorheen. Dit alles afgerond met een likje blauwe verf. Aan het eind van 1999 werd ook de portecabin, waar Transport&Opslag zich jaren in vertoefde, vervangen door een echt kantoor op de plaats van de oude vergaderzaal. De nieuwe vergaderzaal werd gebouwd tegenover het nieuwe kantoor van Transport & Opslag, waar vroeger de grote olieopslagtanken stonden.
 
Verder werd de kantine voorzien van dubbele ramen en de kleedruimte onderging een totale metamorfose. De oude kleedruimte voldeed namelijk niet meer aan de huidige hygiëne eisen. Allereerst werd de oude vloer eruit gehaald om plaats te maken voor een nieuwe vloer. Ten tweede kwam er een nieuw plafond in met goede verlichting, de oude kleedhokken werden vervangen en er kwamen nieuwe badhokken in de badruimte. Tevens werden de oude ramen vervangen net zoals de ventilatoren. Als laatst werd alles weer opgemaakt met een likje blauw en witte verf. Voor de werknemers uit de fabriek was het weer een stuk prettiger om zich om te kleden of om zich te douchen.
Met de overname van Fina was het kantoorpersoneel flink geslonken, mede doordat de commerciële afdeling en marketing werden geïntegreerd bij de Fina organisatie in Voorburg. Het hoofdkantoor werd daarom overbodig om het nog aanwezige kantoorpersoneel te huisvesten. Daarom werd besloten om het te gaan verhuren aan Necarbo, ook een bedrijf binnen de PetroFina groep. Nadat het hoofdkantoor van binnen flink werd verbouwd, konden de medewerkers van Necarbo hun intrek nemen. De overgang van Zaandam naar Beverwijk was voor hen een aangename verandering, mede vanwege het feit dat er langs de kade meer activiteit is dan op hun vorige lokatie. Het overig kantoorpersoneel werd gehuisvest aan de overkant van het oorspronkelijk kantoor. Er moest nog wel het een en ander gebeuren om er kantoren van te maken. De voormalige ruimten van het laboratorium werden daarom flink verbouwd. Nieuwe meubels, verlichting, plafonds met airconditioning en noem maar op. Het resultaat mocht er zijn en de directeur en het overig kantoorpersoneel kon weer aan de slag in de nieuwe optrekken.
 
Het kwaliteits laboratorium zelf was al aan het begin van 1990 verbouwd. Het enige wat nog verbouwd moest worden was het research gedeelte en vooral de ruimte waar de pilot stond. De oude pilot ruimte voldeed niet meer aan de huidige veiligheids en milieu eisen. De muren en de vloer werden grondig gereinigd en er kwam een nieuw plafond. Tevens werden de leidingen rondom de pilot vervangen, net zoals het bedieningspaneel. Na de vernieuwing voldeed de pilot weer aan de huidige standaard en dit alles door het goede werk van de Technische Dienst in samenwerking met de nodige buitenfirma's. De Technische Dienst zelf kreeg zijn onderkomen achter in de grondstoffen afweegruimte. De toen nog open ruimte werd afgesloten en opgesplits in twee werkgedeelten een kantoor en een opslagruimte voor alle onderdelen in het bovenste gedeelte. Ook hier werd alles zodanig verbouwd dat het nu aan de huidige veiligheids en milieu eisen voldoet. Naast de Technishe Dienst werd een ruimte neergezet met de compressoren om de fabriek van lucht te voorzien. Nu alle verbouwingen en modernisering achter de rug zijn gaat Beverol het volgende milenium in. Met de overname door het Petrofina concern en de investeringen die daarmee gepaard gingen, is Beverol er sterk op vooruit gegaan. Naar de klant toe kan Beverol zich presenteren met het kwaliteits certificaat ISO 9002 en binnenkort ook het milieu certificaat ISO 14011. Eind 1998 werd de fusie tussen Total en Petrofina aangekondigd. De integratie van beide bedrijven en de diverse activiteiten is nu in volle gang. Of dit voor Beverol veel veranderingen zal brengen is nu nog niet bekend. Zoals men zegt: "De tijd zal het leren". Laten we hopen dat we met zijn allen nog eens 25 jaren kunnen volmaken.

auteur Harrie Vonk is werkzaam op het laboratorium van de Beverolfabriek te Beverwijk en heeft ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van Beverol in 1999 deze geschiedenis chronologisch beschreven en gebundeld in een jubileumboek uitgegeven - met dank voor zijn materiaal