>1950
| de jaren 50 en daarna begon de fabriek en de productie aardig te groeien. In de oliefabriek vondt de fabricage plaats van verschillende motoroliën en speciale olie- en water producten met een capaciteit van 100.000 kg per dag. In vetfabriek 1 werden de speciale vetten gemaakt, zoals aluminium-, lithium- en natriumvetten en in vetfabriek 2 maakte men de calciumvetten, tezamen met een capcaciteit van 80.000 kg per dag. |
| Ook levertraan behoorde tot een van de producten die Beverol vroeger verwerkte voor de lederindustrie en naast de vetfabriek stond de Zepy fabriek. Daar werden de zogenaamde handreinigers geproduceerd. In een ketel van 4500 kg werd de gehele dag Zepy (wit) en Zepy+ (blauw) gemaakt, welke in drummen, pails of blikken werd afgetapt. Het olie- en vetmaken was een zware bezigheid. In de oliefabriek werd de olie gepompt vanuit het tankenpark en de overige grondstoffen werden met de hand in de ketel gestort. Naarmate de variatie in producten toenam, nam ook het aantal toevoerleidingen toe met verschillende typen basisoliën. In de ketels liepen de warmtespiralen waar het stoom doorheen ging en de stenen muren zorgde voor isolatie en bescherming tegen de hete ketels. Achter de oliefabriek was namelijk het stookhuis waar elke morgen, een uur van te voren voordat de productie begon, kolen in de ketels werden geschept om de fabriek van warmte te voorzien. Later werden de stenen muren rondom de ketels weggehaald om plaats te maken voor modern isolatiemateriaal. Ook maakte men in de oliefabriek speciale producten. In de grote waterketel bijvoorbeeld werden producten gemaakt zoals koelvloeistoffen, reinigingsvloeistoffen, grondstoffen voor de vetfabriek, etc… Was een olie of een van de speciale producten klaar, dan werd deze afgetapt bij de ketel of het werd verpompt naar een van de vele opslagtanken. Van daaruit kon men het dan verder aftappen in diverse verpakkingen of verpompen in tankwagens. |
| |
| In de vetfabriek werkte men in die tijd nog met autoclaven. In de bovenste ketel werden de grondstoffen met de hand afgewogen en in de ketel gestort. In de ketel daaronder werd de olie gepompt en opgewarmd. Zodra de olie op temperatuur was, opende men een afsluiter tussen de twee ketels en de grondstoffen stroomde in de hete olie waar de verzeping plaats vondt. Soms gebeurde het nog wel eens dat de reactie zo heftig was dat de hele massa uit de ketel stroomde. Men was dan een flinke tijd bezig met schoonmaken, voordat men weer met de productie verder kon gaan. |
| Als het vet klaar was werd het afgekoeld in grote bakken. In het begin waren het nog gesloten bakken maar later werden dit open bakken die boven op elkaar stonden, soms met 6 bakken tegelijk. In elke bak bevond zich een overloop. De eerste bak werd gevuld met de gloeiend hete vet en als die vol stroomde liep het via de overloop naar de tweede bak, enz.. todat alle bakken gevuld waren. Men moest er natuurlijk wel voor zorgen dat de overlopen niet recht onder elkaar stonden, maar in tegengestelde richting, want anders liep de onderste bak over en was men de rest van de dag bezig met schoonmaken. Als het vet voldoende gekoeld was werden de bakken verplaatst naar de maalketel en leeggeschept. In de maalketel werd het vet dan gemalen en kon het afgetapt worden in de diverse verpakkingen. De olie- en vetfabriek werd en wordt nog steeds dag en nacht begeleid door het laboratorium. Met de hoeveelheid aan vetten, oliën en andere producten was het keuren en testen een arbeidsintensieve bezigheid. Eén groep laboranten hield zich voornamelijk bezig met de kwaliteitscontrole. Zij controleerde het vet op bijvoorbeeld penetratie, druppelpunt en dergelijke en de olie op viscositeit en vlampunt. U moet nagaan dat in die tijd ze nog niet die geavanceerde apparatuur hadden die we nu wel hebben. Tegenwoordig drukt men op een knop en er rolt een resultaat uit. Een andere groep hield zich weer bezig met de research van nieuwe producten en de verbetering van nieuwe productiemethoden. In de pilot, wat een klein vetketeltje is, was continu een laborant bezig om nieuwe vetten uit te testen of er werd een nieuwe methode uitgetest op een bestaand vet. |
| |
| Was het vet of olie klaar dan kon dit afgetapt worden in de daarvoor bestemde verpakking. Het vet werd direct afgetapt in de verpakking en later gekeurd door het laboratorium. Olie en andere producten daarentegen werden eerst door het lab gekeurd en daarna pas afgetapt. |
| Aftappen gebeurde in fusten, drummen, pails, variërend van 200 kg, 60 kg tot en met 20 kg, of in verschillende typen blikken en bussen, varierend van 10 kg, 5 kg tot en met 1 kg. De grote verpakkingen werden of bij de ketel afgetapt of uit voorraadtanken. Voornamelijk olie werd in grote tanken gepompt om later afgetapt te worden. Kleine verpakking zoals bussen, blikken en potjes werden met de hand afgevuld of met een vulapparaat. Vooral kilogram blikken werden in het begin nog met de hand gevuld. Uit een grote fust of drum schepte men het vet in de pot en een ander sloot de deksel erop. Later kwamen daar apparaten voor, zoals het blikken vulapparaat op de foto hiernaast. Toen de vetpatroon zijn intrede deed, kwamen de patronenmachines, die vetpatronen met duizenden tegelijk vulde. De grote vetbulken waren er nog niet, dus moest het allemaal via containers. Olie die niet aan de ketel werd afgetapt ging naar een van de opslagtanken. Vandaar uit kon men het dan in allerlei soorten verpakkingen vullen. In de expeditie was de grootverpakking vullerij. Hier werden alleen fusten, drummen en pails afgetapt. Elke morgen werd er begonnen met binnenland. Dit waren kleine orders die verstuurd werden naar verschillende kleine en grote klanten in het gehele land. Daarnaast was er de export. Dit ging meestal om grote partijen fusten en drummen, bestemd voor klanten in het buitenland. In elke opslagtank was ruimte voor een type olie, oplopend van 8 ton tot 15 ton. Grote partijen olie die redelijk dichtbij moesten worden afgeleverd waren meestal bestemd voor tankwagens. Bijvoorbeeld voor de Hoogovens, die Morgolie (Filona) afnam van Beverol voor hun walsen. Deze partijen gingen meestal met een tankwagen, waarvoor de grote opslagtanken meestal gereserveerd werden. Uiteraard kwamen tankwagens niet alleen het Beverol product ophalen. De grondstoffen welke in grote getallen voor de olie- en vetproductie bestemd waren, werden via tankwagens in de grondstoffen tanks opgeslagen. In het begintijd van Beverol werden fusten of drummen die afgetapt waren, weggerold naar de opslagloods of naar de kade. Grote aantallen fusten werden op de kade gestapeld om dan met een grijper in de boot te worden gehezen. |
| |
| Later deed de heftruck zijn intrede en ging het allemaal wat gemakkelijker. Tijdens het stapelen van de fusten gebeurde het nog wel eens dat de achterste rij vaten in "de Pijp" viel, omdat iemand met zijn heftruck tegen de voorste rij botste. Gelukkig dreven de vaten in het water (olie/vet is lichter dan water) en moest er meteen iemand de vaten uit het water vissen. Een keer was er een sterke stroming in het water en dreigde een vat naar het kanaal toe te drijven. Dus ging er iemand op een vlot achter het vat aan om hem weer op de kade te brengen. |
| De rest van de verpakking werd op pallets gereden en opgeslagen in de loodsen. De hele dag reden de heftruck chauffeurs van Transport en Opslag om het gereed produkt uit de fabriek in de loodsen op te slaan. Tevens reden zij de grondstoffen die met vrachtwagens aankwamen in de grondstoffen loods, alsmede de lege verpakkingen. Lege verpakkingen, zoals fusten, drummen en pails, kwamen in het begin neutraal aan en moesten in Beverol kleuren of andere kleuren worden gespoten. Dit was de taak van de spuiterij. De hele dag waren twee mensen in twee spuitcabines bezig om de buitenkant en de deksel in de juiste kleuren te spuiten. Als een fust klaar was werd die op een rollerbaan gereden en kon het drogen om daarna van het Beverol logo te worden voorzien. In die tijd gebruikte men daarvoor speciale screens. Een hoeveelheid verf werd op het screen aangebracht en met een haal drukte men het logo erop. Als er dan een order kwam werd ook op de bovenkant het Beverol logo gerold tezamen met de tekst van wat erin zat. Vlak bij de spuiterij was de spoelerij. Op sommige fusten die naar een klant gingen zat statiegeld. Deze kwamen dan weer terug bij Beverol om gespoeld te worden. Dit gebeurde in de spoelerij. De fust ging in een soort centrifuge die ronddraaide in een loogbad. Na het spoelen kon het fust weer gebruikt worden. Om alle machines, pompen, verlichting en noem maar goed te laten werken was er en is er nog steeds de Technische Dienst. Deze groep van mensen zorgt ervoor dat alles piekfijn draait en zorgt ook voor aanpassingen en verbouwingen binnen de fabriek, zonodig in samenwerking met buitenfirma's. | |